Het Jurkje

Bron: Pixabay

Bron: Pixabay

Shoppen is niet mijn ding en dat is het ook nooit echt geweest. Sterker nog: ik heb een bloedhekel aan dat winkel in winkel uit gedoe. Bij winkel nummer 3 heb ik eigenlijk al de balen en wil ik naar huis. Of naar de kroeg.

‘Het is echt ongezellig hoor, om met jou op pad te gaan’ klaagt vriendin L. wel eens als ik voor de zoveelste keer met hangende schouders naast haar voort sjok. ‘Kun je nou echt niet eens een beetje genieten van dit dagje? Het is toch leuk, al die winkels?’ We liepen samen door de stad, L. en ik. Zij genoot en ik… ik sjokte. En ik dacht bij mezelf: ‘wat een herrie is het toch. En wat doen al die mensen hier eigenlijk? Moeten die niet werken?’ Dat was wat ik dacht. Het was een doodgewone dinsdagmiddag en er was geen enkele, maar dan ook geen enkele reden voor al die mensen om daar te zijn. Vond ik. Dat ik daar liep kon ik wel verklaren – ik had een vrije middag en vriendin L. was fulltime huisvrouw maar hoe zat het met de rest? Wat was hun excuus?

Shoppen deed ik eigenlijk noodgedwongen. Als ik iets nieuws nodig had was ik wel verplicht me de stad in te begeven teneinde er weer redelijk fatsoenlijk bij te lopen. Dit was meestal nadat de omgeving – vooral vriendin L. – me attendeerde op ‘de broek die écht niet meer kon’ of de trui ‘waarvan het een schande was dat ik er nog in durfde te lopen.’

Waar ik zo af en toe wat moedeloos van werd waren de – in mijn ogen dan – hyper enthousiaste verkoopsters. Nauwelijks kom je zo’n boetiekje binnen of, als een mestkever op een open riool, vogelwiekt er dan al zo’n dame om je heen. ‘Goedemiddag’ glimlacht ze vaak veel te blij, ‘kan ik je helpen?’
Het is gewoon TE lullig om te zeggen: ‘godsamme mens, ik stap net die winkel in, zout even lekker op, als ik je nodig heb roep ik je wel okay?’ maar toch zou je dat soms wel willen. Fatsoenshalve glimlach je net zo blij terug en mompelt iets van: ‘nee, ik kijk even wat rond.’

Mijn shopplezier werd definitief vergald toen ik ooit op een dag alleen in de stad liep. Mijn oog viel op een wit jurkje dat daar in de etalage om de aankleedpop gedrapeerd was. Het was een soort salsajurkje – zwoel en zwierig en wat me op dat moment mankeerde om überhaupt dat hele jurkje te passen weet ik nog niet. Ik dans geen salsa maar het jurkje was enig. Het was een wit jurkje, had een strak bovenlijfje en de tulen, in laagjes opgeknipte rok was aan de voorkant kort en liep langer uit naar de achterkant toe. Het was een plaatje. Vond ik toen.

In een opwelling holde ik naar binnen en voordat ik het wist stond ik in de paskamer met het jurkje aan. ‘En?’ hoorde ik opeens de verkoopster overspannen krijsen terwijl ik mezelf ternauwernood in de spiegel had kunnen bekijken. Ik antwoordde niet want ik probeerde krampachtig na te denken en de veel te harde muziek in de boetiek te negeren.
‘En? Hoe zit hij?’ krijste ze weer en voordat ik het wist trok de gek zo, in één keer, het gordijntje open.

Ik ben gillend de tent uitgerend. Met het jurkje in mijn handen geklemd dat achteraf veel en veel te klein bleek te zijn. Vriendin C., die wél salsa danste, heeft er nog jarenlang plezier van gehad.

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: