Eindeloze Speurtocht naar mijn eigen Waarheid

Paramaribo, ooit
Als ik aan N’ gadinem vraag, waar mijn uniform gebleven is, kijkt ze me aan en schudt haar hoofd meewarig. Mijn uniform, legt ze uit, hoef ik allang niet meer aan – weet ik niet dat het allang geleden is, dat ik dat droeg?

Het is raar dat ik het blijf vragen; ergens weet ik dat het inderdaad heel lang geleden is, maar ik schijn het toch keer op keer bevestigd te willen hebben. Ik schijn van andere mensen te moeten horen, dat ik niet meer degene ben die ik vroeger was, toen mijn uniform me nog paste en ik die droeg, mijn lange vlecht bungelend op mijn rug. Als N’ gadinem dan begint te lachen en in gebroken Nederlands antwoord ‘dat ze een goede saoto voor me zal maken, want daar knap ik altijd zo van op’ lach ik even mee maar vraag voor de zekerheid toch naar m’n uniform.

‘Nee mevrouw Leilah’ zegt ze en ik vraag me af, wanneer ze is begonnen me mevrouw te noemen, ‘nee, uw uniform is iets van lang, lang geleden,’ een wegwerpgebaar makend. Ze loopt naar de keuken, ik kijk haar na zoals ze de binnenplaats oversteekt, die blaakt in het zonlicht en moet toegeven dat ze nog altijd een mooie tred heeft. Ik draai me om in de stoel waar ik in zit, en waarschijnlijk ook nooit meer uit zal kunnen en beweeg me richting galerij, hoop dat er iemand aanwezig is die me kan vertellen waarom ik in deze stoel zit, en waar ik gebleven ben, al die tijd.

Het klinkt misschien raar, maar ik moet keer op keer bevestigd krijgen dat dit leven dat we hier met z’n allen leiden heel normaal is. Vroeger was dit huis een vol, druk huis, waar ik met m’n ouders en broer woonde, waar we handenvol dienstmeisjes hadden die door de overeenkomst in leeftijd meer m’n vriendinnen waren dan onze bediendes (wat een doom in het oog was van mijn moeder en grootmoeder). Ik probeer keer op keer te begrijpen waar iedereen, waar ik zo van gehouden heb gebleven is en als N’ gadinem, Djoemium of Roosje het weer eens hebben uitgelegd, lig ik als een kind met m’n hoofd in hun schoot te huilen, terwijl ze me een glaasje water geven en kalm over m’n haar, dat al aardig grijs begint te worden, strijken.

Roosje valt soms tegen me uit: zij is het langste bij ons in huis en aangezien ze groot geworden is met ons, met mij in ieder geval, luister ik geduldig naar haar en begrijp, dat het leven zo in elkaar zit: een mens verliest zijn ouders, zijn broers, zusters en iedereen waar hij van houdt en uiteindelijk zichzelf.

Want dat ik mezelf verloren heb, staat voor mij vast, alleen probeer ik te achterhalen waar dat gebeurde en wat ik toen deed. Ik zit al jaren in deze stoel. Volgens mijn ‘meisjes’ kan ik lopen en heeft de dokter hun keer op keer verzekerd dat er niets is wat mij tegenhoud, behalve dan mijn eigen wil en daar sta ik van te kijken. Ik heb vaak genoeg geprobeerd uit deze stoel te komen maar het lijkt me niet te lukken. Ik heb er gewoon de kracht niet voor en vind het uiteindelijk ook wel goed zo. Als ik zou kunnen lopen, verandert er dan iets aan mijn leven, aan mijn gedachtes, aan mijn gevoel? Nee, dat weet ik nu al, alles blijft hetzelfde. Nu, in dat geval blijf ik wel hier zitten en ga door met het vragen naar mijn uniform, mijn verleden, vragen waar ik misschien het antwoord al op weet, maar toch, voor de zekerheid, nog even naar informeer.

Het enige uitje dat ik met grote regelmaat maak, alleen of met de meisjes, is naar de begraafplaats waar al mijn geliefden liggen. Van die uitjes geniet ik – ik ben dichtbij degenen van wie ik hou en ik heb het gevoel dat ze er dan even zijn, dicht bij mij. Ze geven me het gevoel dat ik weer even het meisje ben dat ik ooit was en heel even weet ik dan ook weer wie ik was, ooit.

Ik open een van de deuren die op de galerij uitkomen en bevind me in de familiekapel. Hoofdschuddend kijk ik naar het altaar waar wat kaarsen branden en ik vraag me af wie de kapel nu nog allemaal bezoeken. Na het overlijden van mijn familie wou ik de kapel opheffen, maar ik had niet vermoed dat het grootste deel van het huispersoneel daar op tegen zou zijn. Het was in elk geval aangenaam koel hier, en als dat de reden was geweest dat een ieder zich zo fel gekant had tegen het opheffen van deze ruimte was het de enige aanvaardbare.

Ik zit in m’n eentje naar het kruis te kijken dat hoog boven me hangt en vraag me af, hoe ik in deze ruimte beland ben, wat ik hier aan het doen ben. Roosje loopt op de galerij, kijkt naar binnen en ziet me zitten.

‘Moet mevrouw geen dutje doen’? vraagt ze, terwijl ze mijn stoel voorzichtig naar buiten loodst. Wanneer is ze toch in hemelsnaam begonnen met me zo te noemen? Ik pijnig mijn hersenen, maar vind het antwoord niet.

‘Roosje, hoe noemde je me toen we jong waren?’ Verdwaasd kijkt ze me aan.
‘Leilah’, giechelt ze, alsof het een goede grap is. ‘En wanneer ben je me mevrouw gaan noemen’? Dit weet ze niet.
‘Roosje’, vraag ik later, ‘hoe zat het ook alweer met frater Ned?’
Ze kijkt me aan en schudt haar hoofd.
‘ Mevrouw, ik heb het u gisteren ook al verteld.’
‘Toe’, bedel ik, ‘ik ben het weer vergeten’.
‘Weet mevrouw nog, dat ze in verwachting was’?
‘Nee’, schud ik, ‘dat weet ik niet’ en – maar dat zeg ik er niet bij omdat ik wel nieuwsgierig ben naar wat ze nog meer gaat vertellen – dat kan ook helemaal niet.
‘Mevrouw was in de verwachting van frater Ned en toen uw vader erachter kwam is hij zo woedend geworden, dat hij een ongeluk beging en frater Ned vanaf hier naar beneden heeft gegooid, zo op de binnenplaats. Daarna schoot hij frater Ned dood. En toen’, hierbij daalde haar stem, vol ontzag ‘toen heeft hij zichzelf neergeschoten’.

Vaag beginnen bepaalde beelden me bekend voor te komen en als ze klaar is met dit verhaal herinner ik me, voor een fractie van een seconde hoe dat voelde die dag, toen ik N’ gadinem naar mijn uniform vroeg. Ik herinner me dan dat ik geweerschoten hoor en dat ik me realiseer dat deze pijn die ik voel niet normaal is. Ik herinner me dat het schieten maar door gaat, ik hoor mijn moeder gillen en de volgende seconde ben ik alles kwijt en begin als een waanzinnige te huilen.

‘Het gaat niet zo goed met mevrouw hé,’ zegt Djoemium, op de galerij zittend naar de ondergaande zon starend. Ze heeft een flinke sigaar in haar mond en blaast de rook met de wind mee, zodat Roosje opstaat en aan de andere kant gaat zitten.
‘Nee,’ zegt Roosje, ‘het gaat erg slecht met haar. Ze herinnert zich nauwelijks meer iets van vroeger, je kan haar nu van alles wijsmaken’.
‘Arme vrouw. Ze heeft het altijd over frater Ned, maar heb jij hem ooit gezien hier?’
‘Nee’, antwoord Roosje zachtjes, ‘die man bestaat ook alleen maar in haar fantasie, maar je weet toch dat de dokter zelf gezegd heeft dat we haar maar daarin moeten laten geloven? Dat is het enige waarvoor ze altijd heeft geleefd, voor haar eigen fantasieën. En tegenwoordig voor die van ons, het maakt haar allemaal niet meer uit. Keer op keer wil ze de verzinsels aanhoren die wij vertellen, omdat haar eigen leven kennelijk zo leeg was, zo verschrikkelijk leeg.’
‘Sommige dingen zijn wel echt gebeurd toch?’ vraagt Djoemium.
‘Natuurlijk’, zegt Roosje zachtjes, ‘ zoals die dag dat ze haar uniform zocht en geweerschoten hoorde. Toen schoot niemand op haar, maar waren het de militairen die hier vlakbij oefenden. Op de een of andere manier is er ooit iets in haar hoofd geknapt en is het nooit meer goed gekomen met haar.’

Er viel even een stilte tussen de drie vrouwen, die hun leven al zo lang deelden onder het dak van mijn huis. N’ gadinem zit op een krukje, haar rechterbeen omhoog getrokken en probeerde de nagels van haar voet een stukje korter te maken. Ze zijn alle drie Javaanse vrouwen en als ze onder elkaar zijn praten ze een grappig mengelmoesje van Javaans, Nederlands en Surinaams.

‘Het zielige is, vult N’gadinem aan, ‘dat er helemaal niets aan te doen is. Ze is altijd al zo geweest, gewoon een beetje…’

‘Gek’, giechelt Roosje, die overal eigenlijk wel om kan lachen.

‘Schizofreen’, verbetert Djoemium, die nog lang niet klaar is met haar sigaar en er genietend aan trekt, ‘dat zegt de dokter tenminste.’

‘Triest’, besluit N’ gadinem, die een stuk nagel van haar grote teen trekt. ‘Heel erg triest, vooral als je bedenkt dat ze vroeger zo’n mooi en vrolijk meisje was’.

Ik weet dat ze soms over me roddelen als ze denken dat ik hun niet horen kan en soms maakt het me erg bang. Waar hebben ze het over, als ze zeggen dat frater Ned iemand anders was dan degene waarvan ik denk dat hij was? Het is zo verschrikkelijk verwarrend allemaal. Ik weet niet goed meer wat ik moet geloven en als ik hun roep om te zeggen dat ik wil eten kijken ze me verschrikt aan en zie ik dat ze zich angstig afvragen hoeveel ik gehoord heb.

Maar dan realiseer ik me later dat ik soms heldere momenten kan hebben en alles wat ik denk beleefd te hebben, mijn hele leven lang, kan afdoen met een hoofdschudden naar mezelf toe. ‘Het was je eigen spel’, zeg ik dan tegen mezelf, ‘dat je grandioos verloren hebt.’ Ik voel me erg blij en opgelucht, ook omdat ik ineens weet waar het mis is gegaan en vol enthousiasme kijk ik dan naar buiten, de donkere nacht in. Ik ben van plan het de volgende dag anders dan vandaag, dan alle dagen hiervoor, aan te pakken. Toch – en nu weet ik zeker dat ik gek aan het worden ben, of erger nog: waarschijnlijk altijd ben geweest, vraag ik de volgende dag aan N’ gadinem als ze langs me heen loopt en de binnenplaats wil oversteken of ze weet waar mijn uniform is gebleven en als ze me lang aankijkt en meewarig haar hoofd schudt bekruipt me een gevoel van wilde paniek, omdat ik zeker weet dat ooit, ergens, misschien in een ander leven, deze vraag normaal beantwoord werd.

 

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can skip to the end and leave a response. Pinging is currently not allowed.
One Response
  1. Rikki says:

    Mooi beschreven!

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: