De Schone Kleren van meneer Alvarez

Het hoofd van meneer Alvarez voelde niet goed die dag. Hij was het zich bij het wakker worden meteen bewust en staarde naar zichzelf in de spiegel waar het weer van de afgelopen dertig jaar behoorlijk in zat. Vreemd, hij zag er gewoon uit maar hij wist dat zijn hoofd niet goed zat. Wat hij daarmee bedoelde kon hij zichzelf niet uitleggen, het was gewoon een vaststaand feit en vaststaande feiten behoeven geen uitleg, dus toen zijn vrouw hem vroeg wat eraan scheelde besloot hij geen antwoord te geven. Als hij het niet eens aan zichzelf kon uitleggen, kon hij het al helemaal niet aan zijn vrouw uitleggen en daarbij, hij had er totaal geen behoefte aan. Toch ging hij na de koffie en z’n dagelijkse bordje pap weer naar boven om zichzelf nogmaals in de spiegel te inspecteren. Raar. Het zag eruit als zijn hoofd, maar daar binnenin voélde het niet als zijn hoofd. Dit gevoel kende hij niet. Zijn hoofd tussen zijn twee handen klemmend, vasthoudend bij de oren, maakte hij heen en weer gaande bewegingen. ‘Als ik het wat schud,’ dacht hij, ‘schiet het straks misschien gewoon los en heb ik mijn eigen hoofd van binnen weer terug.’

‘Elwin,’ hoorde hij zijn vrouw achter zich. ‘Wat ben je in Godsnaam aan het doen?’ Ze stond in de deuropening verwonderd toe te kijken, haar rood geruite theedoek in haar handen geklemd en haar krulspelden hadden een even verdwaasde uitdrukking als zij op dat moment.

‘Niks, niks,’ mompelde hij, lichtelijk beschaamd en deed alsof hij zich wou gaan scheren. Kon een man nou nooit eens z’n gang gaan in zijn eigen huis! Zijn vrouw bleef nog even staan kijken, aarzelend, wist niet zo goed wat te zeggen en ging schouderophalend weer naar beneden toe, de afwas doen. Hij wachtte even tot hij het geluid van glaswerk hoorde en ging toen door met wat hij aan het doen was.

‘Er is iets niet goed hier, maar wat?’ Hij schudde zijn hoofd nog een aantal keren op en neer, maar toen dat niets uithaalde besloot hij ermee op te houden en gewoon maar af te wachten. Misschien zou het in de loop van de dag ongemerkt verdwijnen en zou hij vanavond in bed liggen en denken: ‘Hoe voelde dat ook weer vanochtend, toen ik wakker werd?’ Waarschijnlijk zou hij het zich niet eens kunnen herinneren en er om glimlachen. Nu, daar hoopte hij maar op.

Meneer Alvarez liep de trap af en besloot vandaag te gaan vissen. Het was zaterdag en hij was, goddank, vrij. Op doordeweekse dagen was hij natuurkundeleraar op een openbare school en dat beviel hem totaal niet De grote bekken die hij vroeger van jongens kreeg, daar was hij beetje bij beetje wel aan gewend, maar die meiden van tegenwoordig wisten ook al niet wat respect was en daar kon hij echt nijdig om worden. ‘Nee, dan die katholieke scholen,’ bedacht hij met pijn in zijn hart. ‘Daar kenden ze hun plaats wel. Daar heerste pas orde en respect.’

Hij had er nooit weg moeten gaan. Tot zijn vijftigste had hij les gegeven op een katholieke school totdat hij eens een andere school wou proberen, zomaar, uit een soort jolige rebelsheid. Iedereen raadde hem het af en dat was voor hem des te meer reden om de grote gok toch te wagen – hij zou de mensen wel eens laten zien wie Elwin Alvarez was! Dat hij een enorme misrekening maakte bleek achteraf, toen het al te laat was.

‘Hermine!,’ riep hij toen hij zijn hengels bij elkaar gegraaid had. ‘Hermine, ik ben naar het visgat toe vandaag, ik kom tegen etenstijd thuis.’

Hermine kwam aangehold. ‘Weet je het zeker Elwin? Zou je niet liever thuisblijven, je bent echt een beetje van slag vandaag geloof ik.’

‘Des te meer reden om te gaan vissen’ antwoordde meneer Alvarez nurks. ‘Bovendien, wat moet ik hier doen?’ Geen acht slaand op de verwonderde blik van Hermine greep hij naar zijn rieten hoed en liep de deur uit, Hermine ontdaan achterlatend.

‘Misschien heb ik gewoon in een verkeerde houding gelegen vannacht,’ zei hij tegen zichzelf toen hij eenmaal buiten was, ‘of ben ik gewoon moe.’ Hij probeerde weer voorzichtig zijn hoofd op en neer te bewegen. Hij nam kleine pasjes; meneer Alvarez was een klein, corpulent mannetje met een beginnend buikje en hij hield ervan kleine pasjes te maken.

‘Op die manier beweeg ik me minder’ grapte hij als iemand er wat van zei. Hoewel het nog vroeg in de ochtend was had meneer Alvarez al zin in een lekker glas koud bier en stopte in het voorbijgaan even bij de Chinees waar hij een ‘djogo*’ kocht. Met de grote literfles in een papieren zak onder zijn arm geklemd verliet hij de winkel weer en hervatte zijn wandeling. Ze woonden niet ver bij het visgat vandaan waar hij erg blij om was; hij was dol op hengelen en kon uren, zonder zich te bewegen, naar de dobber staren.

‘Elwin is weer naar therapie’ zei Hermine altijd spottend als mensen vroegen waar hij was en ze had nog gelijk ook: als hij ergens tot rust kwam na een drukke, bloeddrukverhogende dag op school was het hier wel, op deze plek. De plek was een soort moerasachtige plas, onzichtbaar vanaf de straat en waar je ook niet met blote benen heen moest – je kon je benen lelijk openhalen aan alle snijgras. Meneer Alvarez klapte zijn stoel open, gooide zijn hengels uit en ging er eens heerlijk voor zitten.

‘Wat geweldig is dit toch’ dacht hij toen hij zijn fles ijskoud bier aan zijn mond zette. ‘Ik snap werkelijk niet dat sommige mensen hier niets aan vinden.’ In de bijna vijfendertig jaar dat hij nu met Hermine getrouwd was, had hij haar maar één keer zo ver kunnen krijgen met hem mee te gaan en dat was tijdens hun wittebroodsweken, iets waar ze nu nog gebelgd over was.

‘Vrouwen,’ dacht hij schamper, ‘leuk, maar je kan er weinig mee.’ Dat laatste was niet helemaal waar natuurlijk, al realiseerde meneer Alvarez zich dat niet zo goed die dag. Nee, hij was duidelijk uit zijn doen en zoals hij daar aan het visgat zat en keer op keer zijn hoofd op en neer schudde teneinde zijn eigen, vertrouwde hoofd weer terug te krijgen maakte hij een toch wat typische indruk.

Hij ging zo in zijn bewegingen op dat hij niet in de gaten had dat hij beet had hoewel de dobber flink op en neer ging en pas toen hij met een smak van zijn klapstoeltje viel, zo heftig waren zijn bewegingen ondertussen geworden, viel zijn oog op de dobber. Heel voorzichtig trok hij de hengel omhoog en zijn hart jubelde toen hij zag dat hij de grootste kwie kwie* van zijn leven aan de haak had geslagen.

‘Mijn God’ schoot het door zijn hoofd, ‘mijn God, ik heb nog nooit zo’n vis gevangen’ en heel even was het alsof hij zijn eigen hoofd weer op zijn romp had staan toen hij het beest van de haak haalde. Zo voelde het tenminste. Het arme dier spartelde flink tegen en keek hem met glazige ogen aan.

‘Ja jongen,’ zei meneer Alvarez, ‘het spijt me, ik kan er ook niks aan doen. Ik probeer je zo min mogelijk pijn te doen, goed?’ Want ondanks het feit dat hij dol was op hengelen had hij eigenlijk, net zoals zijn postuur, ook maar een klein hartje en het deed hem beslist geen plezier het dier daar zo te zien lijden.

‘Mijn Gunst Elwin,’ hoorde hij opeens zijn vrouw achter zich, ‘dit is de grootste vis die je ooit hebt gevangen.’ Geïrriteerd keek meneer Alvarez op. Nooit, maar dan ook nooit wou zijn vrouw meekomen en nou hij eens behoefte had aan totale privacy stond ze hier ongecontroleerd te krijsen, daarmee de andere vissen die er nog zwommen ongetwijfeld voor de rest van het jaar wegjagend.

‘Hermine, wat doe je hier’? Ongeduldig klonk het, geïrriteerd.

‘Ik kwam even bij je kijken, dat mag toch wel? En Edmund belde, die komt zo ook even, samen met Gerold.’ Ook dat nog. In plaats van een heerlijk rustig dagje hier in z’n eentje zou haar broer, een blaaskaak van de eerste orde met zijn zoon langskomen. Geweldig. Nou, dan kon hij maar beter naar huis gaan. Misschien kon hij de ramen wel gaan lappen of zo, terwijl zijn vrouw en haar familie hier de boel overnamen.

‘Elwin, zitje nu al te drinken?’ kreet ze, op de fles wijzend. ‘Zo vroeg ’s ochtends? Er is echt iets mis met je geloof ik, waarom zeg je niet wat er is?’

‘Hermine,’ legde hij geduldig uit, ‘er is wel iets ja, maar dat zal je toch niet begrijpen. Ik begrijp het zelf niet.’ Want nu het euforische gevoel aan het wegebben was die zijn grote vangst hem gebracht had voelde hij, sterker dan ooit, dat het hoofd wat hij nu op zijn schouders droeg niet dat van hem was. Zijn eigen hoofd was weg, samen met de inhoud ervan en dat de omgeving het nog niet in de gaten had weet hij aan de laatste stuiptrekkingen van zijn lichaam die hem deden praten en handelen zoals hij altijd deed. Zijn lichaam had gewoon niet in de gaten dat zijn hoofd er niet was en reageerde vanuit een automatisme net zoals kikkers nog heel even vrolijk door springen nadat ze in tweeën gehakt zijn.

‘Elwin, ik sta erop dat je me vertelt wat er aan de hand is. Je gedraagt je heel vreemd, de hele ochtend al en ik maak me zorgen om je.’ Goed beschouwd was Hermine de kwaadste nog niet. Ja, ze had een scherpe, snerpende, door merg en been klievende stem, maar daar kon ze ook niets aan doen. Ook had ze zich na hun huwelijk totaal laten gaan en ontpopt tot een groot, wanstaltig, grotesk log monster dat de hele dag met krulspelden in haar haar liep, iets waar meneer Alvarez een Godsgruwelijke hekel aan had maar ook daar kon hij overheen komen. Dat ze nu echter zijn zaterdag dreigde te verpesten en hem op wou zadelen met haar familie ging hem net iets te ver en meneer Alvarez, altijd de geduldigheid en beminnelijkheid zelve, viel behoorlijk tegen haar uit. ‘Hermine, hou alsjeblieft op met dat gezanik. Ik weet niet wat ik heb, okay? Misschien ben ik gewoon overwerkt of zo, weet ik veel. Het enige wat ik wil is gewoon alleen zijn en wat hengelen, dat is alles wat ik vraag.’

‘Ja,’ dacht hij, opeens opgelucht, ‘dat zou het wel eens kunnen zijn: misschien ben ik wel overwerkt.’

‘Je weet dat de dokter gezegd heeft datje het kalm aan moet doen. Je wilt toch niet nog een keer overspannen raken?’ en haar stem bezorgde hem voor het eerst in al die vijfendertig jaar werkelijk koude rillingen. Misschien was het niet alleen haar stem, maar ook omdat ze hem herinnerde aan een onaangename periode in zijn leven die hij het liefste wou vergeten. Dat was in zijn tweede jaar op deze school, toen hij ontdekte dat hij de orde niet kon handhaven en al zijn bevlogen ideeën in rook op zag gaan. Dat was een grote desillusie geweest. Meneer Alvarez was onderwijzer geworden omdat hij had gehoopt de nieuwe generatie wat bij te kunnen brengen en zeker niet om het mikpunt van spot en getreiter te worden. Schouderophalend ging hij door de vis van de haak te halen.

‘Nou goed,’ klonk het verdrietig, ‘als ik je niet kan helpen dan ga ik maar.’

‘Je kunt me wel helpen,’ antwoordde meneer Alvarez. ‘Je kunt zorgen dat ik gewoon een rustig dagje heb en je broer met die jongen van hem opvangen. Zorg dat ze niet hierheen komen, dan heb je me fantastisch geholpen .’

Mevrouw Alvarez bekeek haar man even met een gewonde blik en zuchtte. Goed, dat zou ze daarnaar doen. Niet van harte natuurlijk, dat begreep hij wel nam ze aan? Ja, dat begreep hij en hij zou gewoon, rond een uur of een naar huis komen voor het middageten. Tegen die tijd zou hij opgewekt thuiskomen met een mand vol van die prachtige vissen die zij kon schoonmaken om er een lekkere soep van te maken en hoefde zich verder nergens ongerust over te maken. Dat was toch mooi afgesproken zo? Niet overtuigd schudde mevrouw Alvarez ja en liep met gebogen hoofd het kleine paadje af, met haar handen het onkruid aan de kanten wegduwend. Zoals ze daar liep in haar afschuwelijke knalroze jurk met dezelfde kleur krulspelden in het haar had meneer Alvarez echt met haar te doen en hij nam zich voor in het vervolg niet meer tegen haar uit te vallen.

Eindelijk was hij weer alleen. Zijn hoofd was verder weg dan ooit en opeens wist hij dat hij zich nooit meer zichzelf zou voelen. Hij zou nooit meer vrolijk zijn liedjes kunnen fluiten zolang hij zich zo voelde. Hij zou nooit meer lachen om Hermine haar roze krulspelden en er grapjes over maken. Hij zou nooit meer uitgelaten naar zijn kaartclub kunnen gaan, fluitend over straat huppelen, chagrijnig naar z’n school kunnen gaan. Niet zolang hij zijn hoofd kwijt was in elk geval. Hij moest hier wat op zien te vinden want hij begon dit gevoel eng te vinden; hij vond het eng, erg eng zelfs om het gevoel te hebben dat zijn eigen ik ergens was, misschien voor altijd verdwenen. Het gevoel dat meneer Alvarez had was inderdaad moeilijk te omschrijven: hij voelde zich vaag, wazig, niet echt maar dat is lastig uitleggen als je er heel gezond uitziet en je verder ook niet ziek voelt.

Meneer Alvarez klapte zijn stoel open en ging weer zitten. Zijn bier begon al aardig af te koelen dus nam hij gauw nog maar een paar slokjes en keek naar zijn armen. ‘Vreemd eigenlijk, dat dit mijn armen zijn,’ dacht hij verwonderd, ‘die ik al mijn hele leven bij me draag.’ Zijn voeten, gestoken in plastic badslippers, kwamen hem ook al hoe langer hoe onbekender voor. ‘Raar, dat ik hier al mijn hele leven op loop.’ Zo zat hij aan de waterkant, zijn eigen lichaam bestuderend en een vreemd gevoel kwam over hem. Het lichaam waar hij in zat kwam hem met de minuut onbekender voor. De kleine haartjes op z’n armen had hij werkelijk nog nooit gezien en die dikke vingertjes, waren die werkelijk van hem? Ineens, met een schok, realiseerde hij zich, dat het niet zijn hoofd was, dat verdwenen was of niet goed voelde of wat dan ook. Het was zijn lichaam wat zich op de een of andere manier totaal van hem vervreemd had. Een immens gevoel van opluchting maakte zich van hem meester. Natuurlijk, dat was het! Hij zat maar moeilijk te doen over zijn hoofd, terwijl daar helemaal niks mis mee was! Het was zijn lichaam dat in een vreemde verhouding stond tot zijn hoofd – het lichaam paste niet meer bij het hoofd dat erop zat. Hij had zich de hele ochtend voor niets zorgen lopen maken, dwaas die hij was!

Gelukkig, blij dat hij ontdekt had hoe de vork in de steel zat nam hij nog een paar flinke slokken van zijn bier. Vervolgens stond hij op en klapte zijn stoel dicht. Deze zette hij tegen een van de bomen die verderop stond samen met de mand waar de grootste vangst van zijn leven nog altijd lag te spartelen. Vergenoegd keek hij naar de grote vis; niemand in het land zou hem op dit punt kunnen overtreffen, dat stond vast. Nog altijd vergenoegd glimlachend liep hij naar de oever toe en als iemand hem gezien zou hebben, dan zou die de glimlach van meneer Alvarez omschreven hebben als totaal krankzinnig. Daarna liep meneer Alvarez het water in en liet zich er langzaam in zakken, zich totaal niet bekommerend om het vreemde lichaam dat hij al vijfenvijftig jaar droeg en hem volkomen onbekend voorkwam. Ook niet om de schone kleren die Hermine vol liefde elke ochtend voor hem klaarlegde. Hij voelde zich alleen maar blij en toen hij langzaam verdronk en het bewustzijn verloor schoot er nog maar één gedachte door zijn hoofd: maandag hoefde hij niet naar school.

*djogo – literfles bier
*kwie kwie – vis

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can skip to the end and leave a response. Pinging is currently not allowed.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: