De Hapjespan

© Bron: Pixabay – caveman-1460898_1280

Ooit, heel erg lang geleden, had ik een collega wiens voornaamste activiteit bestond uit het leeghalen van zijn neus. Met zijn vingers. Het liefst met alle tien tegelijk. Het was walgelijk, gruwelijk en weerzinwekkend om hem constant achter zijn bureau aan te treffen met zijn arm tot aan zijn elleboog in zijn neus. De man zelf kon er niets aan doen – het was een dwangneurose die onbeheersbaar was geworden, een hongerig monster waar hij niet tegenop gewassen was.

Een van de bloedstollendste momenten van de werkweek was het moment waarop hij zijn hand even op je schouder legde. Zomaar kon hij achter je staan en legde dan die plakkerige klauw, die kort daarvoor als een uitgehongerde marmot had gegraven in dat neusgat, losjes op je schouder.

Huiveringwekkend, een ander woord bestaat er niet. Hij zat gewoon op de afdeling, deze collega, en een ieder kon hem ongestoord bespieden. Dit belemmerde hem niet in het doen waar hij het best in was: graven en graaien. We vroegen ons wel eens af wat hij deed als hij zich NIET onbespied waande: als je dit gedrag vertoonde op je werk achter je bureau, wat doe je dan in Godsnaam als niemand je ziet? We wilden er maar liever niet al te lang bij stilstaan.

We waren het er over eens dat hij zichzelf in leven kon houden. Deze man was recyclebaar – compleet zelfvoorzienend. Hij had geen winkel nodig om zijn voedsel te halen – hij WAS zijn voedsel.

We hebben wel eens overwogen foto’s van hem te maken terwijl zijn arm weer eens heel diep in zijn neus zat. Die foto’s zouden we dan in de lift ophangen. Het idee vonden we hoogst vermakelijk maar we deden het toch maar niet.  We vonden het een treurige nederlaag voor onze afdeling dat we met zo iemand moesten werken. Nee, we hielden liever de schijn op en pretendeerden dat hij een heel normaal mens was.

Onze snoepjespot hield op te bestaan. Als hij weer eens behoefte had aan wat hartigs en zijn neus leeg bleek te zijn zocht hij onze snoepjespot op om hier naar hartenlust in te graaien. We keken elkaar dan veelbetekenend aan, lieten hem begaan en als hij uitgegraaid was gooiden we de inhoud weg. Na dit een derde keer aanschouwd te hebben hielden we ermee op en besloten dat het voor onze eigen gezondheid beter was de snoepjespot op te heffen.

Na jarenlang met hem gewerkt te hebben kwam er een eind aan. Hij ging met de vut. Wat waren we opgelucht en blij dat we van de man af waren. Dat we dat gegraaf in die neus niet meer hoefden te aanschouwen. Dat we niet meer bang hoefden te zijn voor die onverwachte hand op onze schouder!

Bij zijn afscheid kreeg hij van ons een hapjespan. Dat leek ons het meest praktische.

__________

Het vervolg van ‘De Hapjespan’ kun je hier lezen

Category: Humor
You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.
One Response
  1. Jan says:

    Gelukkig ben ik nog niet met de VUT en kan het dus niet zijn 🙂

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: