De Bevrijding

Dit verhaal is ook gepubliceerd in de Harlinger Courant van 03-05-2013

Het was nog stil buiten toen Jacobus Doordouwer de deur van het huisje op de Liemendijk achter zich dichttrok.
‘Ziezo’ zei hij opgewekt tegen Harkje, zijn vrouw. ‘We kunnen vertrekken.’ Hij wierp nog even een onderzoekende blik op de handkar die voor de deur van het huisje stond. ‘Ik hoop dat we geen narigheid krijgen onderweg’ dacht hij. De kar zag er namelijk niet al te stevig uit.
‘Is het zolderraam wel dicht?’ vroeg Harkje bezorgd. Jacobus knikte. Ja, het zolderraam was dicht, dat wist hij zeker, hij had het net nog even gecontroleerd.

Bovenop de handkar, te midden van wat huisraad, zat oom Willem. Oom Willem was de oudoom van Harkje en woonde al sinds het begin van hun huwelijk ben hen in. ‘Zit u goed oom Willem?’ vroeg Harkje bezorgd. Oom Willem knikte vergenoegd. Ja, hij zat prima in die fauteuil die bovenop de handkar stond. Jacobus wierp nog een laatste blik op de wielen van de kar. ‘Kom op jongens, we gaan’ sprak hij toen monter tot de overige gezinsleden. Zoon Pieter pakte het hengsel van de handkar en begon te duwen.

April 1945
Harkje had het niet meer de laatste tijd. Ze had gehoord dat de Canadezen hen zouden komen bevrijden maar het was allesbehalve rustig in Harlingen. Er werd flink geschoten in de staden de Duitsers waren duidelijk in paniek. ‘Wij moeten weg hier Jacobus’ had ze gejaagd tegen haar man gesproken die op dat moment achter de piano zat. ‘We moeten hier echt weg.’Jacobus was het met haar eens. ‘Ik ken een boer in Wijnaldum’ had hij gezegd. ‘Misschien kunnen we tijdelijk bij hem verblijven totdat het wat rustiger is.’

Daar liep het gezin Doordouwer op deze stille ochtend. Vanaf de Liemendijk liepen ze naar de Engelse Tuin. Van daaruit namen ze de Midlumerstraat (die bestond toen nog) en konden ze zo doorlopen naar Wijnaldum.
‘Zijn we er bijna?’ hoorde Harkje haar jongste dochter halverwege jengelen.
‘Nog even pop’ sprak ze bemoedigend haar dochter toe.‘Nog even.’
‘Hoe gaan we daar slapen?’ vroeg Femke, haar middelste dochter.
‘In het hooi’ lachte Jacobus. ‘Met zijn allen in het hooi.’ Marietje, de oudste dochter, keek verschrikt op. ‘Als er maar geen enge beesten in dat hooi lopen’ zei ze benauwd.

‘Zit u nog steeds goed oom Willem?’ riep Harkje. Oom Willem knikte verheugd. Harkje keek naar haar zoon Pieter die de handkar voortduwde, groot en sterk. Wat had ze ook om hem in de zorgen gezeten! Hij moest, samen met 600 andere Harlingers tussen de 17 en 45 jaar, verplicht werken in Boven Smilde.
‘We moesten daar tankvallen graven ma’ had Pieter verteld en had haar toen uitgelegd wat tankvallen waren. De ventilatieruimte onder de keukenvloer had Jacobus bij zijn terugkeer omgetoverd tot een ruimte waar Pieter zich schuil kon houden. ‘Als de Duitsers komen dan duik je hier direct in jongen’ had Jacobus tegen zijn zoon gezegd. ‘We rollen dan het zeil eroverheen en met de keukentafel erbovenop heeft niemand het in de gaten.’

Al enkele dagen bivakkeerden De Doordouwers op de boerderij in Wijnaldum toen Harkje op een avond naar buiten keek. Haar aandacht werd getrokken door een vreemd licht dat ze boven Harlingen zag. Het leek alsof er een flinke brand woedde. ‘Moet je dat zien Jacobus’ wenkte ze haar man terwijl ze met samengeknepen ogen in de verte tuurde. ‘Zie je dat?’
‘Vreemd’ vond Jacobus. ‘Ik weet ook niet wat dat is.’
Ze liepen naar buiten en keken naar het schijnsel dat steeds sterker leek te worden. Op het donkere landweggetje kwam vanuit de verte een fietser aan,druk zwaaiend. Hij riep iets dat ze niet konden verstaan maar al gauw was hij dichterbij en hoorden ze hem brullen: ‘Vreugdevuur in Harlingen!’ Woest trappend fietste hij door om het bericht verder te verspreiden: ‘Vreugdevuur in Harlingen!!Harlingen is vrij! We zijn vrij!’

Harkje en Jacobus keken elkaar aan. ‘Hoor je dat Jacobus?’ fluisterde Harkje terwijl ze haar man ongelovig aankeek.
Jacobus knikte. ‘Ja Harkje’ mompelde hij, opeens schor.‘Ja, ik hoor het.’

De volgende ochtend gingen ze direct naar huis. Oom Willem zat weer bovenop de handkar, voortgeduwd door zoon Pieter.
‘Zit u lekker oom Willem?’ vroeg Harkje terwijl ze de wollen deken nog wat strakker om zijn benen heen trok.Oom Willem knikte vergenoegd.

‘Kom jongens, we gaan’ riep Jacobus. Hij floot een vrolijk wijsje. Er was nog heel wat werk aan de winkel, dat wisten ze. Eén grote, rauwe wond had de oorlog van Nederland, van Harlingen gemaakt. Maar toch voelden ze een sprankje hoop toen ze daar weer met z’n allen liepen, richting Liemendijk.
‘Harlingen is vrij’ dachten Harkje en Jacobus op hetzelfde moment terwijl ze de lange, stille Haulewei afliepen. ‘Harlingen is – eindelijk– weer vrij.’

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: