Angst

Ravaghna zegt niets als ik naar binnen loop en zelf soep in schenk. Ze kijkt me alleen maar fronsend aan en gaat daarna schouderophalend door met haar rijst lezen* terwijl ik langzaam de soep naar binnen lepel. Daarna loop ik naar buiten. Het is koel, donker en eindelijk voel ik me weer tot rust komen. Hier, helemaal alleen, in het donker terwijl ik weet dat binnen iedereen nog wakker is kan ik me opeens opgelucht voelen en ik laat me zakken op een van de bankjes die op onze binnenplaats staan. Als iedereen binnen zou slapen zou ik hier niet zo van kunnen genieten: ik weet dat ik naar binnen zou strompelen terwijl mijn hart als een bezetene zou kloppen, terwijl het zweet over m’n rug zou stromen. Ik zou op zoek gaan naar een veilige plek die ik nergens zou kunnen vinden en Ravaghna zou  me weer moeten slaan om me tot rust te brengen.

‘Waarom doe je jezelf dit toch aan?’ vraagt ze wel eens aan me als ik net een van die aanvallen erop heb zitten maar daar kan ik natuurlijk geen antwoord opgeven. Ik doe het niet voor mijn plezier en ook niet bewust. Het overkomt me gewoon en als het eenmaal voorbij is kan ik er meestal ook wel om lachen. Ravaghna is mijn vriendin en bediende. Ze is een van mijn vaders ex-vrouwen. Na hun scheiding, toen hij besloot met Chagali te trouwen, vroeg Ravaghna of ze hier bij ons mocht blijven. Dat mocht, maar omdat haar positie in ons huishouden wel enigszins gewijzigd was werd ze aangesteld als mijn chaperonne en bediende. Als chaperonne heb ik haar nooit nodig gehad. Dit tot mijn vaders grote verdriet en schande, die het pijnlijk vond dat ik thuis bleef wonen. Erg leuk vond ik het zelf ook niet, maar ik kon er niets aan doen dat mijn leven zo gelopen was.

‘Als je een man had gehad weet ik zeker dat je die onzinnige aanvallen nooit had gekregen’ gromde mijn vader soms. Misschien was dat wel zo, misschien ook niet. De aanvallen heb ik nu precies acht jaar. Ik kan me de eerste dag nog zo goed voor de geest halen. Het was die dag de eerste dag van de lente en mijn vader en zijn vrouw hadden een groot feest gegeven. De dagen ervoor was het een gekkenhuis bij ons thuis. Chagali was doorlopend hysterisch en bang dat haar gewaad niet op tijd zou arriveren, Ravaghna was wat depressief want die dacht natuurlijk aan het laatste lentefeest toen zij nog de vrouw des huizes was en ik zag erg tegen de drukte op. Er zouden zo’n tweehonderd mensen komen en die zou ik allemaal de hand moeten schudden. Dat handen schudden was natuurlijk het ergste niet maar ik had de laatste maanden iets nieuws ontwikkeld: elke keer als ik nerveus, om wat voor reden dan ook was, had ik zweethanden. Ik had niet gewoon klamme handen. Nee, ik had natte, kletsnatte handen. Het zweet droop er letterlijk vanaf. De eerste keer dat ik het bemerkte had ik werkelijk niet in de gaten wat het nu precies was. Het was tijdens het banket bij mijn vaders huwelijk en we zaten allemaal aan hele lange tafels. Ik zat natuurlijk aan tafel bij mijn vader, waar nog dertig man aan zaten en zat de hele tijd met mijn servet in mijn handen geklemd. Onbewust had ik dus al wat in de gaten. Op een gegeven moment realiseerde ik me dat het vocht mijn handpalmen uit spoot en ik bestudeerde ze geïnteresseerd. Toen ik na vijf minuten een klein plasje in de kom van mijn handpalmen zag ontstaan moest ik vreselijk lachen. Ik zag mijn vader opkijken en hij knikte me geamuseerd toe. Misschien was het de wijn, ik weet het niet meer. Feit is dat ik nog steeds door de grond ga als ik eraan denk. ‘Kijk eens, hoe leuk!’ riep ik en liet het kleine plasje langs mijn vingertoppen in m’n glas wijn glijden. Er viel een stilte en iedereen keek eerst verbaasd naar wat ik aan het doen was.

Mijn vader dacht dat ik wat met water speelde totdat hij, net zoals de rest van het gezelschap, het doorkreeg. Ondertussen hingen mijn beide handen boven mijn bord vol eten en langs mijn tien vingertoppen gleden traag honderden druppeltjes naar beneden. Toen ik lachend opkeek zag ik dertig verbijsterde gezichten en mijn vader zag eruit alsof hij elk moment tegen de vlakte zou kunnen slaan. Ik hoorde een van de vrouwen verderop kokhalsgeluiden maken toen ik een slok uit mijn glas nam. De stilte was nog altijd erg pijnlijk en mijn vader schraapte zijn keel.

‘Ik hoop’ hoorde ik hem zeggen, ‘dat jullie me willen excuseren voor mijn dochter. Zoals u weet is ze niet helemaal goed en eigenlijk mag ze ook helemaal geen alcohol hebben. Gaat u gerust door met eten en vergeet u dit incident zo snel mogelijk, dat zal ik ook doen!’ Dit laatste zei hij lachend en hij hief het glas. Ik was woest. Hoe durfde hij te beweren dat ik niet goed wijs was? Dat ‘zoals u weet’ zette me erg aan het denken. Was er iets mis met me of zo? Was ik daarom niet getrouwd? De volgende dag kreeg ik de wind van voren. Van mijn vader en Chagali, die mogelijk nog woester was. Ik begreep dat wat ik gedaan had niet normaal was en toen was het hek van de dam. In gezelschap had ik vanaf dat moment last van klamme handen. In kleine gezelschappen dan. Hoe groter het gezelschap, hoe natter mijn handen en als ik er bewust aan dacht werd het nog veel erger. Daarom stond ik ook niet te juichen toen ik van een van de bediendes hoorde dat we een groot lentefeest zouden hebben. De meeste nieuwtjes over wat er zich in ons huis afspeelde hoorde ik trouwens van de bediendes. Ondanks het feit dat mijn kamers tegenover die van mijn zusje Rio en haar man lagen, moest ik alles van de bediendes horen en ik vond het allemaal ondertussen heel gewoon. Mijn zusje en ik zijn nooit vriendinnen geweest. Eigenlijk is ze m’n halfzusje: ze is het kind van mijn vader en z’n tweede vrouw en uiterlijk lijken we totaal niet op elkaar. Innerlijk ook niet. Ik ben het kind van mijn vaders eerste vrouw en dat heeft Rio’s moeder misschien nooit kunnen zetten. Rio en ik schelen maar één jaar en soms vind ik het wel jammer dat we als kind nooit leuk samen gespeeld hebben. Ze is altijd de oogappel van mijn vader geweest, dat soort dingen voel je feilloos aan. Ook heb ik een paar broers en andere zussen die ik nauwelijks ken – ook allemaal kinderen van mijn vader uit zijn verschillende huwelijken en ook allemaal getrouwd. Ik ben de oudste en niet getrouwd wat de schande dan natuurlijk dubbel zo groot maakt.

Heel langzaam zie ik vanachter een paar wolken de maan te voorschijn komen en ik kijk er genietend naar. Vanuit het grote huis hoor ik allemaal vage geluidjes. Ik hoor Chagali hard lachen, gevolgd door de lach van mijn zus. Zelfs mijn vader hoor ik lachen en dan voel ik me wel wat eenzaam. Als ik erbij had gezeten hadden ze vast niet zoveel lol gehad, dat weet ik zeker. Toch voel ik geen enkele behoefte om erbij te gaan zitten. Het enige dat ik wil is hier in het donker op de koele binnenplaats zitten terwijl ik mijn blote voeten over de gladde tegels laat glijden. Ik gooi mijn hoofd achterover en slaak een zucht. ‘Misschien komt het op een dag toch nog goed met me!’ denk ik hoopvol. Misschien heb ik op een dag nergens meer last van en zal de familie ophouden met me onderzoekend aan te kijken, wat ze nu doen en wat erg vervelend is. Ze doen tegenwoordig alsof ik gek ben: mijn aanvallen nemen ze niet serieus, beschouwen ze als aanstellerij en om dit soort aanstellerig gedrag te vertonen moet je wel gek zijn. Dat ze dit zeggen weet ik natuurlijk ook van de bediendes.

De eerste keer dat ik zo’n aanval had was dus op het lentefeest, op de allereerste dag van de lente. Iedereen was in alle staten, ik nog het meest. Chagali stond erop dat ik goed voor de dag kwam. ‘Misschien vinden we toch nog een man voor je’ zei ze hoopvol terwijl ik naar buiten staarde. Buiten waren ze bezig met het opzetten van lange tafels waar mooie, witte kleden op gelegd werden. De zon scheen, het was een warme dag en iedereen zag er verhit uit, zelfs Chagali die meestal erg koel en fris oogt.

Ik haalde m’n schouders op en liet wat druppeltjes zweet via m’n vingertoppen op m’n donkerblauwe jurk glijden, waar ze kleine kringetjes achterlieten. Vooral bij Chagali had ik er, zeker als ik me erop concentreerde, flink veel last van.

‘En dat doe je morgen niet, begrepen?’ waarschuwde ze pinnig. Alsof ik dat voor m’n plezier deed. Het liefst zou ik me verstoppen of weg gaan, ver weg, totdat alles weer voorbij was. De volgende ochtend kwam Chagali’s bediende mijn kamer binnen met een arsenaal aan make-up. Ze nam me grondig onderhanden en toen Chagali later kwam kijken, ‘kon ik ermee door.’ Chagali zelf zag er oogverblindend uit in haar goudkleurige lange jurk.

‘Er zit echt goud doorheen geweven’ vertelde ze terwijl ze toekeek hoe ik aangekleed werd. Voor mij was ook en speciale jurk laten halen. Donkergroen fluweel met overal veters en linten en ik zag er tegenop om met die hitte de hele dag in zo’n jurk te lopen. Toch stond hij niet onaardig en Chagali verzekerde me dat er misschien nog een beetje hoop was voor me, die dag. We liepen naar beneden. Alles stond in volle bloei en zag er prachtig uit en de lange tafels waren overdadig gevuld met eten, eten en nog eens eten. Niet dat ik aan eten moest denken. Waar ik naar verlangde was een duik in de rivier zodat ik de natheid van mijn handen niet meer hoefde te voelen, de zweetdruppels op m’n rug niet meer hoefde te voelen, de klamheid op m’n voorhoofd niet meer hoefde te voelen. De gasten druppelden een voor een binnen. We stonden op het pad dat tussen de tuin naar het huis liep, in volgorde: eerst mijn vader, daarna Chagali, dan kwam ik, Rio en haar man en daarna de rest van de familie. Bij de eerste hand die ik schudde voelde ik al dat ik dit niet bij tweehonderd mensen zou kunnen doen. Mijn hand was kletsnat en ijskoud en de glimlach op het gezicht van de mevrouw wiens hand ik vasthield bevroor eventjes. Daarna liep ze gauw door naar Rio en vanuit mijn ooghoeken zag ik dat ze snel haar hand afveegde aan haar rokken.

‘Kan ik niet doen alsof ik flauwval?’ vroeg ik me af terwijl ik koortsachtig mijn hand afveegde en die toen, kletsnat en ijskoud legde in die van gast nummer twee. De medelijdende, verbijsterde en ontzette blikken die me in dat half uur zijn toegeworpen zal ik nooit vergeten.

‘Kan ik er wat aan doen?’ gilde ik in gedachten. ‘Kan ik het helpen?’ Mijn handen waren nat, mijn hele lichaam was nat, de make-up die ik ophad voelde ik aankoeken en ik stond daar maar, versteend glimlachend. Mijn rokken voelden vochtig aan op de plekken waar ik m’n handen de hele tijd afveegde en toen ik ze even later vluchtig inspecteerde zag ik dat ze ook wat donkerder oogden dan de rest van m’n jurk. Ook dat nog. Toch heb ik het volgehouden. Tweehonderd handen, tweehonderd paar ontzette blikken. Tweehonderd mensen hebben hun handen steels afgedroogd aan hun kleding alvorens Rio, die er stralend en droog uitzag, de hand te schudden. Toen konden we aan tafel. De bedoeling was dat we ons eerst vol zouden eten, ons vervolgens vol zouden laten lopen – de mannen natuurlijk – en daarna, als het donker zou worden zouden dansen. Dat dansen, dat zat me erg hoog die dag. Hoe zou ik met een man moeten dansen als hij m’n hand vast zou moeten houden? Ik had bedacht dat ik niet zou dansen. Ik had last van m’n enkel, zou ik zeggen en kon, helaas, niet dansen.

Aan tafel ging het wel. Iedereen at, iedereen sprak en lachte en niemand lette echt op mij. Gelukkig. Zo rond een uur of drie waren we klaar met eten en volgde het dessert. Dat was het moment waarop ik me opeens niet lekker begon te voelen. Ik voelde dat ik duizelig werd en keek krampachtig naar m’n bord in de hoop dat het over zou gaan. Het ging niet over. Het werd alleen maar erger. Het dessert werd voor m’n neus gezet, een soort taart en ik bleef stug naar beneden kijken. Het moest toch een keertje overgaan. De stemmen om me heen leken van ver te komen en opeens was ik me heel erg bewust van mijn eigen lichaam. Ik hoorde mijn hart als een razende kloppen in m’n eigen oren, ik hoorde m’n bloed ruizen. M’n hele lichaam werd koud, klam en ik voelde dat ik begon te trillen. Het zweet gutste van m’n voorhoofd en vanuit de verte zag ik Chagali misprijzend naar me kijken, haar linker wenkbrauw cynisch optrekkend. Het razende kloppen van mijn hart hield niet op. Het werd alleen maar luider, ging alleen maar sneller tekeer en ik dacht werkelijk dat ik dood zou gaan. Ik probeerde kalm te worden.

‘Rustig’, zei ik tegen mezelf. ‘Er zijn hier tweehonderd mensen die werkelijk zullen denken dat je stapelgek bent als je nu iets raars gaat doen.’ Het hielp niet. Het enige dat er gebeurde was dat mijn hart uit mijn borstkas dreigde te springen en ik mijn jurk echt op en neer zag bewegen onder de deinende, kloppende beweging ervan. Ik transpireerde over mijn hele lichaam, ik trilde. Toen voelde ik dat ik weg begon te zakken. ‘Ik ga dus toch dood’ was mijn laatste gedachte voordat ik met mijn gezicht in het stuk taart belandde dat voor me stond.

Erg lang ben ik niet dood geweest. Toen ik bijkwam lag ik in mijn eigen kamer, op mijn eigen bed terwijl Ravaghna naast me op een stoel zat. De luiken waren dicht en m’n kamer heerlijk koel en donker en ik hoorde dat het feest buiten nog in volle gang was. Ik glimlachte flauw en Ravaghna keek me bezorgd aan.

‘Ik ben flauwgevallen geloof ik’, mompelde ik terwijl ik genoot van de koele lakens waaronder ik lag.

‘Ja’, knikte Ravaghna somber. ‘Je hebt de aandacht wel weer op je weten te vestigen.’ Ik staarde haar aan. ‘Denk je, dat ik dit voor mijn lol heb gedaan?’ vroeg ik terwijl ik me afvroeg of ze serieus was.

‘Ik weet het niet’, zuchtte ze, ‘ik weet het werkelijk niet. Voor je lol heb je dit niet gedaan natuurlijk, maar we maken ons wel zorgen. Voordat je flauwviel heb je een vreselijke gil gegeven en vooral je vader is woest. Dit is al de tweede keer dat je iets raars doet op een feest van hem en hij weet niet of het nu echt of niet is. Hij denkt dat je misschien hulp nodig hebt.’ Hulp! Ze begonnen dus werkelijk te denken dat ik niet goed was. Ik hoorde in de verte Chagali hysterisch lachen en voelde me weer wat duizelig worden. ‘Ik ben moe,’ mompelde ik. Daarna viel ik in slaap. Dat was dus acht jaar geleden. In die acht jaar heb ik, bijna wekelijks, zo’n aanval gekregen. Soms gaat het een hele week goed. Net als ik me erop begin te verheugen dat het misschien ook wel goed zal gaan in de tweede week krijg ik het weer. Onverwacht. Als ik aan tafel zit met de familie. Ook, en dat vind ik nog veel erger, als ik alleen ben, in mijn eigen kamers. Mijn hele leven is om m’n aanvallen gaan draaien. Iedereen om me heen leeft prettig en ongecompliceerd. Ik leef met angst. Een ontzettende angst dat ik er op een dag niet uitkom. Dat ik me op een dag zo laat gaan dat ik nooit meer wakker zal worden. De dood is iets geworden wat me dag en nacht bezighoudt. Ik leef ermee, dag in dag uit. ‘Lichamelijk ben je helemaal in orde’ zei de arts die mijn vader voor me liet halen. ‘Je hebt een kerngezond lichaam, dus ik kan je niet helpen. Maak je wat minder zorgen, dat is mijn enige advies.’

Dat ik lichamelijk niets mankeerde was voor mijn vader het bewijs dat ik geestelijk dus wél iets mankeerde.

‘Misschien moeten we haar maar een tijdje laten opnemen’ hoorde ik hem op een avond tegen Chagali zeggen die het daar roerend mee eens was. Rio’s kinderen mochten niet meer met me spelen. Rio hield zich totaal niet met dit soort dingen bezig en was niet van plan haar kinderen om te laten gaan met ‘iemand die niet goed wijs was’ zei ze. De enige die zich echt om me bekommerde was Ravaghna. Als ik zo’n aanval op voelde komen hield Ravaghna me vast, probeerde me te kalmeren en als dat niet hielp sloeg ze me. Keihard, in m’n gezicht en vreemd genoeg hielp dat. Als ze maar flink hard sloeg, dan was het zo over. Ik ontdekte dat pijn hebben me hielp. Als ik zo’n aanval voelde opkomen beukte ik met al m’n krachten m’n vuisten keihard tegen de muur en de pijn die ik dan voelde verdreef mijn aanval.

Gelukkig dat ik toch een soort oplossing voor het probleem had gevonden hervatte ik m’n gewone leventje wat eigenlijk niet zo heel bijzonder was. ’s Ochtends werd ik gebaad een aangekleed, ging ik ontbijten en maakte een wandeling door de tuinen of ging ik wat lezen. Daarna gingen we lunchen waarna we onze siësta hielden. Om een uur of vier stonden we dan op. Ik probeerde dan wat contact te zoeken met Chagali die er meestal niet zo voor in de stemming was of ik ging buiten met de honden spelen. Zo af en toe liep ik naar de rivier om daar te zwemmen wat ik heimelijk deed want Chagali vond dat een vrouw dat niet hoorde te doen.

Ik hoopte soms dat mijn vader weer gauw verliefd zou worden op een andere, leukere vrouw. De kans was klein want hij scheen nog altijd verliefd te zijn op Chagali, maar goed, dat is hij op Ravaghna ook jaren geweest.

‘Blijf je hierbuiten zitten?’ hoor ik opeens Ravaghna’s stem achter me en ik schrik. Ik was zo in gedachten verzonken dat ik niks hoorde. ‘Nee, ik kom zo naar binnen’ zeg ik. ‘Morgen moeten we vroeg op, dat weetje hé?’ en ik knik. Ze gaat weer naar binnen en ik staar naar de glanzende maan die hoog boven me hangt. Ik wil nog even genieten van dit goede gevoel dat ik nu heb. Dit gevoel heb ik niet zo heel erg vaak en als ik het dan heb wil ik er ook even heel bewust van genieten. Ik trek even aan het verband dat om mijn hand heen zit en onwillekeurig krimp ik in elkaar. Binnen hoor ik Chagali weer heel hard lachen en ik vraag me af wat mijn eigen moeder nu aan het doen is. Mijn moeder overleed tijdens haar bevalling van mij. Misschien dat mijn vader daarom nooit zo gecharmeerd was van me, wie zal het zeggen. Op mijn kamer hangt een portret van haar en ik lijk in de verste verte niet op haar. Ze was een beeldschone vrouw met hoge jukbeenderen en een olijfkleurige huid. Zo heel mooi ben ik niet. De kleur van mijn huid is niet olijfkleurig, eerder wat grauwig. Ze had glanzend, donkerbruin haar en ik heb wat rossig haar dat er, ondanks alle oliën die erin gesmeerd worden, altijd droog en dor uitziet. Het grootste verschil zit hem in onze neuzen. Ze had een lieftallig klein wipneusje en ik heb mijn vaders grote haviksneus geërfd waar ik een grote hekel aan heb gekregen. ‘Als je die neus niet had gehad’ zegt Chagali altijd, ‘was je misschien toch wel eens getrouwd, maar ja, geen enkele man wil een vrouw hebben met zo’n neus natuurlijk.’ Dat is volgens mij niet helemaal waar want Rio heeft ook zo’n neus maar die is wel getrouwd. Als ik dat zeg kijkt ze me verdwaasd aan en begint dan altijd te lachen.

‘Je kunt jezelf en Rio toch onmogelijk met elkaar vergelijken’ giert ze en ik lach maar wat mee terwijl ik haar wel zou willen slaan. Als ik niet de reputatie had gehad van ‘niet goed wijs’ had ik dat waarschijnlijk ook wel gedaan, nu lijkt het me verstandiger om me maar in te houden.

Ondanks het feit dat ik een tijdelijke oplossing had gevonden voor mijn aanvallen hield de dood me nog steeds bezig. Waar ik ook was, wat ik ook deed, ik was me er constant van bewust dat elke seconde misschien wel m’n laatste zou kunnen zijn en het maakte het er mijn leven niet vrolijker op. Het idee dat ik misschien eens zou sterven zonder ooit iemand gehad te hebben die ondanks mijn neus, mijn aanvallen, mijn zweethanden, ondanks dit alles van me hield vond ik ronduit stuitend. Want, hoezeer ik me ook bewust was van mijn handicaps, ik wist ook dat ik heel veel liefde kon geven aan de juiste man en ik wist ook dat ik de moeite waard was om van gehouden te worden. ‘Dat dit nog steeds niet het geval was, was gewoon een kwestie van tijd’ zei ik tegen mezelf als ik weer eens aan het dagdromen was.

Na het lentefeest begonnen mijn aanvallen zich alleen maar te verhevigen en daarmee werd de kloof tussen mij en de rest van het gezin groter en groter. Wat ik ook deed, ik bleef het gevoel houden dat ik bekeken werd als een vreemdsoortig insect, zeker door mijn vader en zijn vrouw. Het personeel was lief en voorkomend dus het was geen wonder dat ik mijn heil bij hen ging zoeken.

Nadat ik me realiseerde dat het hebben van pijn mijn aanvallen verdreven wist ik dus wat ik moest doen als ik het op voelde komen. Toch, en dat was vervelend, hielp stompen tegen de muur na een tijd niet meer. Tot bloedens toe heb ik mijn vuisten open gebeukt en natuurlijk, het deed wel pijn, maar de aanval zette door. Als Ravaghna door had dat er zich in mijn kamer weer de meest bizarre taferelen afspeelde holde ze naar me toe, sloeg me in m’n gezicht, aaide me over m’n stugge haar maar het hielp allemaal niet meer. Mijn leven werd weer de kleine hel waar ik alleen in leefde. Ik durfde niet meer te gaan zwemmen. Stel dat ik het in het water kreeg en verdronk? Slapen durfde ik nauwelijks. Wat als ik het in m’n slaap kreeg en doodging? ’s Ochtends, als ik wakker werd, beleefde ik luttele momenten van intens geluk. Ik had het overleefd, ik leefde nog steeds! Daarna werd ik weer somber. ‘Nu moet ik dag zien te overleven’ realiseerde ik me. Als ik naar bed ging was mijn enige wens ’s ochtends weer op te mogen staan. ‘Als ik de ochtend  maar haal’ dacht ik hoopvol, terwijl mijn hart zwaar begon te kloppen en mijn ademhaling zich versnelde.

Gelukkig was ik inventief en had een variant bedacht op mijn vorige oplossing. Als ik nu een aanval voelde opkomen sneed ik mezelf. Gewoon, met een mes. De punt van het mes legde ik op m’n been en drukte net zolang totdat het vel opensprong en daarna duwde ik verder. Ik duwde net zolang totdat ik het bijna uitgilde van de pijn. Mijn benen – dat waren de enige plaatsen waar ik dit kon doen natuurlijk – werden er niet mooier op maar dat kon me niet schelen. De enige die wist wat ik deed was Ravaghna en als die het verder zou vertellen, dreigde ik, zou ik ervoor zorgen dat ze ontslagen zou worden, hoe dan ook. Ze was verbijsterd toen ze het ontdekte maar toen ze de uitwerking ervan zag besloot ze dat dat misschien het beste was. Ze hielp me met het verzorgen van m’n wonden, maakte ze schoon en verbond ze. Ze weigerde evenwel zelf het mes in m’n benen te duwen toen ik op een gegeven moment doorkreeg dat ook dat niet meer hielp.

Toen ook dat niet meer hielp was ik ten einde raad. De aanvallen kwamen weer met versterkte kracht op me af. Altijd was ’t hetzelfde: duizelig, zweten, hartkloppingen, trillen, en dan: dood. Het was afschuwelijk. Ik leefde zo met de angst voor die aanvallen dat ik er op een gegeven moment wel zes op een dag kon krijgen. Pijn moest ik hebben, alleen pijn hielp me om mijn aandacht van mezelf af te leiden. Het kwam geen moment in me op dat ik deze aanvallen nooit zou hebben gehad als mijn leven er anders uit zou hebben gezien, zelfs toen mijn vader dat tegen me zei. Misschien was ik op de een of andere manier zo met mezelf bezig dat alleen ik de oorzaak van dit alles was, alleen zag ik dat toen niet. Wat ik toen ging doen klinkt gek, en toch heeft het me geholpen. Tijdelijk weliswaar, maar wel heel effectief. Ik zaagde langzaam  mijn tenen eraf. Niet in een keer natuurlijk; een voor een. De eerste keer viel ik flauw van de pijn en toen ik bijkwam bloedde ik als een waanzinnige, maar de angst was verdwenen. Mijn kleine teen lag naast m’n voet die er nu wat raar uitzag en Ravaghna rende kokhalzend weg toen ze het zag. Het grappige was, dat ik wist dat ik nog een teen zou afhakken als ik de aanval weer zou voelen opkomen en omdat mijn lichaam dat misschien geen leuke gedachte vond besloot m’n hoofd me voorlopig met rust te laten. Samenwerking tussen lichaam en geest denk ik. Zeker twee maanden lang heb ik nergens last van gehad. De wond aan m’n voet was zo goed als genezen en ik voelde me bijzonder opgewekt. Totdat het weer zover was. De hele familie zat op de patio – het was een zondagmiddag – en een ieder vermaakte zich opperbest. De kinderen van mijn overige halfbroers en -zussen renden over het terrein heen, mijn vader was blij met z’n hele gezin om zich heen. Chagali kweelde charmant en was uiterst lieftallig, zelfs tegen mij en daar was het weer: beng – het kwam keihard aan. Ik rende naar binnen, de lange gangen door, nam drie treden tegelijk op de trappen. Toen ik in m’n kamer arriveerde rukte ik als een bezetene de la waarin het mes lag open, schopte m’n sandaal uit en zaagde m’n andere kleine teen eraf. Deze keer viel ik niet flauw. Ik kalmeerde meteen en zuchtte opgelucht toen ik me dat realiseerde. Ik bond wat verband om m’n teen heen en liep opgewekt naar beneden waar ik de vragende ogen die op me gericht waren negeerde en voor de rest van de dag de vrolijkheid zelve was.

Natuurlijk was ik na een tijd door m’n tenen heen. Het was lastiger geworden al met al: ik moest er constant voor waken dat niemand m’n voeten zag. Het lopen ging me moeilijk af. ‘Ze wordt gewoon oud’ zei Chagali spottend toen mijn vader vroeg wat er scheelde.

Pas toen ik aan mijn vingers begon ontstonden de problemen. Dat was ondertussen wel een stuk later, maar toch. Het probleem was niet eens het feit dat m’n vingers eraf waren: ik was zo behendig geworden in het verdoezelen van m’n linkerhand dat het niemand opviel. Het probleem ontstond toen een van de wonden begonnen te infecteren. ‘Je moet een dokter laten halen’ zei Ravaghna toen ze me, zwetend en klappertandend van de koorts in bed aantrof. Antwoord geven kon ik nauwelijks, maar ik schudde met m’n hoofd. Het was al die tijd goed gegaan, dacht ik, dus dat zou nu ook wel gebeuren.

Toen ik later m’n ogen opendeed realiseerde ik me dat er veel mensen in m’n kamer waren. In de eerste plaats m’n vader, die me ongelovig aanstaarde. De dokter was bezig het verband om m’n hand heen te vernieuwen en ik voelde me uitgeput. M’n vader keek me nog altijd ongelovig aan en Chagali, die naast hem stond, wist ook niet zo goed wat ze ermee aan moest. Later hoorde ik, dat ik heel ziek geweest ben. Ravaghna voelde zich toen wel verplicht om het aan m’n vader te vertellen die woedend werd dat dit allemaal plaats had gevonden zonder dat iemand er wat aan had gedaan. Kalm vroeg Ravaghna hem toen of het hem dan wat kon schelen, omdat ze altijd het idee had gehad dat ik hem niet zo interesseerde.

‘Hij houdt erg veel van je’ vertelde Ravaghna me later. ‘Dat hij dit niet altijd liet zien was misschien dom van hem, maar hij nam aan dat ik dit wel wist.’ Toen brak er iets in me en ik begon te huilen. Als een waanzinnige heb ik gejankt, uren achter elkaar terwijl Ravaghna m’n haar streelde en zachtjes lieve dingen in m’n oor fluisterde. Op dat moment dacht ik werkelijk dat het vanaf nu anders zou worden. Misschien niet eens in mijn dagelijks bestaan maar wel met mij en dat vond ik al heel wat.

Eigenlijk mag ik nog niet op. Dat was ook de reden denk ik, waarom Ravaghna zo stuurs keek toen ik zonet de keuken inging om wat soep voor mezelf in te schenken. Als ik nu terugkijk naar de afgelopen jaren vraag ik me af hoe ik het in Godsnaam zo ver heb kunnen laten komen en ik huiver even. Wat heb ik de afgelopen jaren een puinhoop van m’n leven gemaakt. ‘Maar’, denk ik aan de andere kant, ‘hoe had ik het kunnen stoppen?’ Want iedereen was ervan op de hoogte en niemand deed iets. Iedereen dacht dat ik gek was en lachte me uit of bekeek me spottend, maar een reikende hand uitsteken zat er niet in.

Morgen ga ik naar een sanatorium. ‘Om aan te sterken’ zegt mijn vader en ik vind het een fijn idee. ‘De komende twee maanden zal je omringd worden door mensen die hetzelfde meegemaakt hebben’ zegt hij, en ze kunnen je daar heel goed helpen. Ik besluit naar bed te gaan. Voorzichtig schuifel ik op m’n blote, verminkte voeten over de glanzende koele tegels naar binnen en loop naar boven. Nu ik weet dat er hulp op komst is heb ik nergens meer last van, typisch is dat. Die nacht slaap ik heerlijk en de volgende ochtend worden Ravaghna en ik uitgezwaaid door de hele familie. Mijn vader heeft tranen in zijn ogen en zelfs Chagali lijkt ontroerd te zijn. Rio en ik omhelzen elkaar onwennig en dan vertrekken we echt. De paarden staan ongeduldig te snuiven en als ik instap zwaai ik en blijf ik zwaaien totdat ze allemaal hele kleine stipjes geworden zijn. Zo herinner ik me ze dan ook alleen nog maar. Als hele kleine stipjes uit een grijs, ver verleden. Ik heb ze nooit meer gezien. Mijn vader niet, mijn broers en zussen niet. Toen mijn vader zei dat ik in het sanatorium omringd zou worden door mensen die hetzelfde meegemaakt hebben als ik bedoelde hij: krankzinnigen voor wie ik doodsbang ben. Toen hij zei dat de mensen me hier heel goed konden helpen bedoelde hij waarschijnlijk ook iets heel anders.

Onze reis duurde drie dagen. In die drie dagen was ik opgewekt, babbelde aan een stuk door tegen Ravaghna die er moe en verdrietig uitzag. Dat zag ik toen niet, dat realiseerde ik me ook pas veel later. Toen we uitstapten bij het sanatorium kwamen er meteen wat mensen aanhollen die me in een dwangbuis wilden stoppen en het is dankzij Ravaghna dat dat niet gebeurd is. Ik moest vreselijk lachen natuurlijk. Het idee alleen al! Ik rolde bijna over de grond, zo moest ik lachen. Ook omdat ik me in tijden niet zo vrolijk, zo vrij had gevoeld en simpelweg omdat ik in geen tijden gelachen had. Ik werd meegenomen naar binnen en heb Ravaghna ook nooit meer gezien. In de bijna twintig jaar dat ik hier nu zit ben ik nooit meer met de dood bezig geweest. Het enige dat ik hier doe is overleven en probeer niet gek te worden van het gegil dat ik dag en nacht om me heen hoor. De aanvallen, waar ik vroeger zo bang voor was, heb ik hier nog maar twee keer gehad. Daarna liet ik het wel, of liever: deed mijn lichaam het niet meer. Het had waarschijnlijk niet al te prettige herinneringen aan het ijskoude bad waarin het gedompeld werd en waarin ik vastgehouden werd. Hoe ik ook gilde, spartelde, ik kwam er niet uit omdat ik vastzat onder het zeil waar alleen mijn hoofd doorheen stak en mijn aanval was dan ook vrij snel over. Als ijskoud water het enige was dat hielp was ik nooit aan m’n tenen en vingers begonnen maar dat kon ik niet aan de artsen hier uitleggen en nu is het te laat. Het is te laat voor mij, ik ben nu oud en nu heb ik er ook geen zin meer in. Er zal nooit iemand zijn die van me houdt dankzij mijn zweethanden – die heb ik nog steeds – en mijn haviksneus.

Het enige wat ik nu zou willen is rust. Ik weet dat ik hier nooit meer uitkom. Nu wil ik rust. Ik wil ergens zijn waar het goed en mooi en kalm is en waar niemand me lastig valt met vragen. Af en toe en toe denk ik nog aan vroeger. Aan mijn vader. Zou hij na Chagali weer met een ander getrouwd zijn? Aan onze heerlijke tuinen. Aan ons huis, met de schitterende binnenplaats waar ik als kind uren kon spelen. Ik vind het een raar idee dat ik ooit een klein meisje ben geweest en als ik aan het kleine meisje dat ik ooit geweest ben denk begin ik hartverscheurend te huilen. Dan komt er iemand binnen die me een spuitje geeft zodat ik kalm blijf en waardoor ik me heel verward voel. ‘Hebben jullie nooit gezien’ gil ik soms in mijn eigen hoofd, ‘dat ik niet gek ben? Hebben jullie nooit gezien dat ik alleen maar iemand nodig had die van me hield?’ Dat zal ik nooit meer zeggen. Ik heb het wel gezegd, ooit, maar mijn artsen begonnen alleen maar te lachen en beschaamd hield ik dan m’n mond. Morgen word ik geopereerd. Heb ik in de gangpaden opgevangen van het personeel dat hier werkt. Net zoals vroeger thuis krijg ik ook hier de meeste informatie toegespeeld via het personeel.

‘Lobotomie’, fluisterde een van de verpleegsters me toe en via een andere verpleegster begreep ik dat daarmee een deel van mijn hersenen weggehaald zal worden.

Het kan me allemaal niet meer schelen. Het enige dat ik ooit gewild heb is gelukkig zijn en als dat met zo’n operatie bewerkstelligd kan worden, waarom niet?

Ik zal nooit weten dat mijn familie opgelucht was toen ik eindelijk vertrokken was. ‘Gek’ mompelde mijn vader hoofdschuddend toen ik ingestapt was in de koets die mij en Ravaghna weg zou brengen naar het instituut waar ik als een plant weg zou teren na mijn operatie. ‘Volslagen krankzinnig’ mompelde Chagali toen ze me vrolijk zwaaiend weg zag lopen. ‘Gelukkig dat we daarvan af zijn’ bralde Rio terwijl ze haar arm door die van Chagali stak.

Dat zal ik nooit weten. Het enige dat ik nog zou weten op mijn sterfbed was: ik ben nooit gek geweest. Het enige dat ik wou was gelukkig zijn. En dat is me nooit gelukt.

* Rijst lezen – bruine korrels rijst eruit pikken zodat alleen de witte korreltjes overblijven

 

 

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can skip to the end and leave a response. Pinging is currently not allowed.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: